De aloë vera plant komt oorspronkelijk uit Afrika en is in de slaventijd meegekomen naar het Caribische gebied, onder andere naar het eiland Barbados. Daar heeft de botanicus en ontdekkingsreiziger Philip Miller de officiële naam aan de plant gegeven, aloe barbadensis miller. Hij gaf de naam vera (het Latijnse woord voor ‘echt’) aan de plant, omdat deze variant de sappigste onder zijn soortgenoten is.
In de 18e en 19e eeuw werd door de Nederlanders al aloë vera verbouwd op plantages op Aruba, Bonaire en Curaçao. Toentertijd werd aloë niet zozeer geoogst voor de gel, maar voor het hars uit de buitenste lagen van het blad. Dit hars wordt ook wel aloine genoemd en staat bekend om zijn bittere smaak en sterk laxerende werking. Vanuit Curaçao werd de tot een zwarte koek gekookte aloine vervolgens verscheept naar Europa en Amerika. Daarom staat aloë vera ook nog steeds bekend onder de naam Curaçao aloë.
Door de geschiedenis heen en in vele culturen wordt de aloë vera plant al eeuwen vereerd om zijn geneeskrachtige eigenschappen en wordt voor veel uiteenlopende ziekten en kwalen gebruikt. De Griek Dioscorides schreef 100 jaar voor onze jaartelling al over de geneeskrachtige werking van aloë in het allereerste boek over geneeskrachtige kruiden. De plant werd vroeger al door de Maya Indianen gebruikt, die erom bekend stonden dat ze vaak een hoge leeftijd bereikten en er jong uit bleven zien. De Maya’s kenden de plant dan ook onder de naam forever young plant. Ook bij diverse historische grootheden was de heilzame werking van de aloë vera plant bekend: Alexander de Grote liet zijn soldaten behandelen met de gel van de aloë vera plant als zij ziek waren of wonden hadden. Columbus nam aloë met zich mee op zijn ontdekkingsreizen om zijn matrozen te genezen van allerlei soorten ziektes. Cleopatra gebruikte aloë als schoonheidsmiddel en ze druppelde zelfs in haar ogen, want dat gaf een mooie glans! |